Schier oneindig

Laat ik het maar mijn “Franciscusweekend” noemen. Het eerste weekend van oktober ben ik – als het even kan – traditiegetrouw ergens in de natuur te vinden. Dit keer in Friesland. Vrijdagmiddag een rondje Lauwersmeer, met o.a. tienduizend (of meer) goudplevieren bij de Ezumakeeg. Indrukwekkend! Op zaterdag stak ik over naar Schiermonnikoog, waar roodgekleurde kwelders en schitterend waddenlicht de ogen streelden. En niet onbelangrijk voor mijn gemoedsrust: een roepende bladkoning, een soort die je in deze tijd van het jaar op dit eiland simpelweg niet mag missen. Zondag lekker gestruind langs de Friese waddenkust. Ook hier was het genieten van de uitgestrektheid van het landschap. Op een dijk vond ik de moshommel en de schorzijdebij, twee fijne vondsten. Bij Noorderleech liep ik bijna een uur buitendijks richting het wad, eindigend met een 360 graden waddenschouwspel. De buitendijkse kwelders hier zijn de grootste van Europa. Onderweg trof ik tapuit en kustvlekoog.

Natuurherstel of natuurverlies?

Rustig tijdloos herfstweer. Karien en ik maken vandaag een rondje over de Lemelerberg, langs de Regge en terug over de Archemerberg. Op de Lemelerberg zien we iets dat lijkt op een kaalslag, maar wat een natuurherstelproject blijkt te zijn: bos wordt hier omgezet in heide. Zo komen er meer nachtzwaluwen en boomleeuweriken.

Bijzonder blij ben ik met de vondst van echte guldenroede in een houtwal langs de kant van de weg tussen Lemele en de Regge. Een relatief grote groeiplaats van deze inmiddels vrij zeldzame plant, al zie ik dat de plant hier behoorlijk weggedrukt wordt door Amerikaanse vogelkers. Ook hier lijkt ingrijpen nodig.

Onderweg lees ik over de winnaar van de natuurboekenprijs 2026, “Archief van mogelijk verlies” van Tine Hens. Ik voel een zekere teleurstelling. De jury kiest voor een melancholisch, subjectief-gedreven verliesnarratief, waarbij verwondering een reactie wordt op wat dreigt te verdwijnen. Terwijl ze ook had kunnen kiezen voor verwondering voor dat wat er feitelijk is en wat door goed kijken wordt onthuld. De vier andere boeken gingen over dit laatste, de klassieke veldbiologie.

Ik begrijp wel dat het verliesverhaal als urgenter wordt ervaren. Maar inmiddels is dat al lang niet meer een gedurfde of verrassende keuze. Het is zelfs voorspelbaar geworden: de jury beloont deugdzame ecologische rouw, omdat dat past bij het dominante narratief dat we met zijn allen diep ongelukkig moeten zijn over de staat van de natuur.

Maar wie echte, diepe verwondering zoekt over de veerkracht en de magie van het leven, gaat er op uit, observeert, onderzoekt, gaat op de knieën met een loepje, om boven alles de rijkdom te blijven zien van wat er wél is.

Het publiek wist beter en koos voor de Crossbill guide van Nederland.

Insecten in de bruine sloot

Vanmiddag met de insectenwerkgroep naar waterdiertjes gezocht in het moestuincomplex Aa-tuinen. Onder leiding van aquatisch ecoloog Hans mochten we een paar keer scheppen in een “vieze bruine sloot” en daarna de oogst bekijken.

Ik had geen idee wat ik kon verwachten gezien de bruine soep. Maar Hans legde uit dat de kleur wordt veroorzaakt door kwelwater en in principe weinig zegt over de kwaliteit van het water. En dat bleek: na slechts twee keer scheppen wemelde het in de witte bakken, waar de oogst in mocht, van de waterdiertjes: wantsen, libellenlarven, haften, kokerjuffers, watermijten, wormpjes, slakjes, visjes, noem maar op! Hans legde stap voor stap uit hoe je de hoofdsoorten uit elkaar houdt. Een libellenlarve wees hij aan als grote of kleine roodoogjuffer, vanwege de rechtopstaande lamellen aan de staart. Maar alles tot op soortniveau determineren? Dat blijkt priegelwerk, waar je thuis een binoculair, een meter literatuur en een lange winter voor nodig hebt. O ja, en nog minimaal vijf jaar aan ervaring.

Iets verderop werden twee grote spinnende watertorren uit het water gevist (de grootste kever van Nederland) samen met een paar waterschorpioenen. Zo werd het een verrassend rijke middag.

Dertig jaar watervogels tellen langs de IJssel

Vandaag start het nieuwe telseizoen voor watervogels, gecoördineerd door Sovon. De uiterwaarden van de IJssel bij Zwolle – specifiek het gebied tussen Windesheim en het Engelse Werk – is één van de telgebieden en gaat dit jaar zijn dertigste telseizoen in. Ik heb de eer om deze tellingen sinds een aantal jaar te mogen uitvoeren.

Het was een rustige, maar fraaie telling met onder andere krooneend (tweede keer sinds 1997), zomertaling (achtste keer), en relatief hoge aantallen slobeend en wintertaling. Bijzonder waren ook de ruim veertig watersnippen – het hoogste aantal sinds 2006. De waterstanden zijn nog steeds zeer laag: de watersnippen lieten zich zien in droogvallende plassen die normaal vol met water staan.

Huismerel in de rui

We hebben een huismerel. Te herkennen aan de aluminiumring aan zijn rechterpoot. Het is een mannetje van ruim twee jaar oud met normaal gesproken een gitzwart verenpak.

Maar vandaag niet, want het is tijd voor de rui. En dat is goed te zien! Het hele verenkleed zit schots en scheef en vertoont interessante kleurverschillen. Als je goed kijkt, zie je bruine, gerafelde veren op de rug van de merel (de mantel en schouder). Dat zijn veren van vorig jaar die nog geruid moeten worden. Ze zijn gebleekt door de zon en daarom bruinig geworden. Ook de duimvleugel (het kleine veertje aan het begin van de vleugel) en de buitenste handpennen zijn nog bruin. De tertials en de armpennen zijn juist al mooi zwart en dus net nieuw. Daar tussenin zit het allemaal wat rommelig: de plek waar nu geruit wordt. Precies volgens het rui-boekje.

Laatst kon ik de ring eindelijk helemaal aflezen door de vogel van vier kanten te fotograferen. De vogel blijkt op 30 juni 2024 geringd als 1e kalenderjaar, drie straten verderop. Hij overleeft dus al ruim twee jaar lang alle katten van de buurt. Een knappe prestatie!

Gevlekt kalkkrieltje in Zwolse duinen

Midden in de Zwolse polder ligt een klein duinlandschap, Duinzicht. Aangelegd en onnatuurlijk, bedacht door een projectontwikkelaar die het afkeek van Almere Duin. Met de nodige scepsis reed ik vandaag naar de woonwijk toe. Ik word al niet vrolijk van nieuwbouwwijken, laat staan van dit soort concepten. Bovendien regende het.

Gelukkig was ik niet alleen. De Zwolse insectenwerkgroep ging vandaag met vereende krachten op zoek naar zo veel mogelijk insecten in deze wijk. Want de vraag is toch ook: wat levert zo’n duinlandschap nu eigenlijk op aan biodiversiteit? Bij aankomst zag ik al meteen grote verwilderde groenstroken met wilde reseda, zeepkruid en diverse andere bloeiende planten. Heuvels met ongemaaid gras. Inheemse bomen en struiken. Op zich niet verkeerd! We begonnen te zoeken en bij de eerste boom (een den) vond ik al meteen een zeldzame springspin, de glanzende dennenspringer. Kijk eens aan, misschien meegelift tijdens de aanplant? Een bolle duinslak, idem dito. Maar ook veel icarusblauwtjes, verstopt in het natte gras, hooibeestjes, wantsen, kevertjes, sprinkhanen. Moeiteloos vonden we tientallen soorten insecten. Vlak voor tijd viel mijn oog op een klein zweefvliegje. Het bleek het zeldzame gevlekt kalkkrieltje, een soort van droge warme graslanden. Tot 2020 kwam deze soort alleen in Zuid-Limburg voor, maar langzaam rukt hij naar het noorden op.

Al met al ben ik positief verrast over dit wijkje: er zitten naar mijn indruk veel meer insecten, zowel qua aantallen als qua soorten, dan in standaard groenstroken. Het gesleep met zand en planten vraagt om kritische reflectie, maar zo’n aanpak kan wel een lokale hotspot van biodiversiteit creëren.

Dag 3: Diffelen – Zwolle (75 km)

Na een heerlijk ontbijt fiets ik rond 11u de camping af. Hier kom ik zeker nog eens terug. Doel van vandaag is om een paar bosvennetjes te bezoeken in de hoop op een Oosterse witsnuitlibel. Ik weet geen enkele plek op de route waar de soort dit jaar met zekerheid zit, maar we proberen het gewoon. Bij het eerste vennetje, vlak achter de camping, vliegen alleen enkele watersnuffels en gewone oeverlibellen. Het water staat er erg laag.

Ik neem een lusje bovenlangs via het Reestdal. Leuk bedacht, maar in de praktijk iets minder: de Reest laat zich amper zien en het fietspad voert langs een vrij drukke weg. Nee, dan wint de Regge het van de Reest.

Na 40 km volgt Boswachterij Staphorst met verschillende vennetjes. Bij het ven de Oude Vijver gaat mijn hartslag iets omhoog: dit is de plas waar nog niet zo lang geleden de meeste soorten libellen zijn geteld in het Landelijk Meetnet Libellen. Hier moet het wemelen van de leuke soorten!

Helaas staat er een verboden toegangsbord en een hek voor de plas.

Er komt een meneer aanlopen met een hond. Hij pakt de twee ijzerdraden van het hek, duwt ze naar beneden en stapt eroverheen. De hond volgt. Ik ben stomverbaasd. De man loopt naar de plas en laat zijn hond even wat drinken. Verderop zie ik een andere man – ook met een hond. Nou ja zeg, is dit een hondenuitlaatgebied?

De man komt terug. Moet ik hem nu aanspreken, vraag ik me af. Maar de man spreekt mij al aan: “Lekker aan het genieten van de natuur?”

Het is een oudere man, met witte baard en een vriendelijke blik. Zeker, zeg ik, ik ben alleen verbaasd om u zo over dat hek te zien klimmen, terwijl er toch een verboden toegangsbord staat.

Hij lacht. “Ze hebben dat hek hier vorig jaar neergezet”, zegt de man. “Verboden was het al langer. Maar vroeger was het een recreatieplas. Toen was het hier een drukte van jewelste. Maar ik kom hier dagelijks.”

De man blijkt honderd meter verderop te wonen – dit is zijn wereld. “Ik heb hier als kind veel gespeeld. Ze hebben verderop een nieuwe recreatieplas gegraven, en toen moest iedereen hier weg.” Langzaam kantelt mijn perspectief.

Weet u wat ik doe, zeg ik. Ik ga ook het hekje even over. De man vindt dat een goed plan en wenst me een fijne dag. Zo gezegd zo gedaan. Aan de andere kant van het hek staat kleine zonnedauw, een kwetsbaar plantje van extreem voedselarme en zure plekken, zoals dit vennetje dus. Ik schuifel langs de oever en zie watersnuffels en gewone oeverlibellen. Snel ga ik weer terug, op verboden terrein is het niet fijn libellen kijken.

Ik fiets verder. De lucht betrekt en de kansen om leuke libellen en vlinders te vinden daalt met de minuut. Ten noorden van Zwolle doe ik een poging om het oranje zandoogje te vinden. Dat lukt niet, maar er zijn wel twee hele fraaie bermen, vol met grote pimpernel, blauwe knoop en tormentil. Ik blijf te lang kijken en sprint daarna naar huis.

Dag 2: Bathmen – Diffelen (72 km)

Als ik wakker word, regent het licht. De eerste regen in weken! Met gemengde gevoelens pak ik de natte tent in.

Na een paar kilometer fietsen zie ik een molen met een terras. Ik stap af en zet mijn fiets tegen een paaltje. “Lekker aan het fietsen?”, zegt een man die de molen uit komt lopen. Ja, zeg ik, een rondje door Salland. Is hier koffie? “Ja”, zegt de man, “kom maar binnen”. De man is vandaag de gastheer van de molen. Ik stel wat vragen over de molen en krijg te horen dat hij nog werkt en vooral veevoer maalt. Terwijl ik hier nog over nadenk, lopen we met de koffie naar buiten. “Zie je die hoopjes? Er zitten hier allemaal bijen onder het terras”, zegt de man. Ik zie het nu ook: overal zandhoopjes waar bijen in en uit vliegen. “Volgens mij is het de zwartbronzen zandbij”, zegt de man. Ik twijfel, maar kan dat niet goed beredeneren. We maken een foto van een bij en halen hem door de beeldherkenning. Natuurlijk, de pluimvoetbij! Het zijn er tientallen.

Het klaart op. Tijd om de benen te testen op de klimmetjes van de Sallandse Heuvelrug. Hoe zou de heide er bij staan na al die droogte? Dat valt niet tegen, want het paars vlamt overal op. Het zijn vooral de jonge scheuten die in bloei staan, is mijn indruk, al kan ik het fietsend niet goed beoordelen. In de verte zie ik een herder met schapen, dus ik stop voor een foto. Hier is de heide wel volledig verdroogd.

Ik daal af naar het beekdal van de Regge, die sinds enkele jaren weer mag meanderen. Bij de stuw Hancate kruist het Overijssels kanaal met de Regge. Ik vraag me af hoe dat werkt: geen aquaduct, geen pompen, maar een kanaal dat blijkbaar onder de Regge doorstroomt. Bij de vistrap laten een aantal fraaie mannetjes van de weidebeekjuffer zich bewonderen. Ze dartelen in de druilerige regen boven het snelstromende water.

Vlak na Ommen kom ik over een zandweggetje. Normaal gesproken houd ik van onverharde wegen, maar vandaag blijkt het een ramp. De natte bovenlaag plakt aan elkaar en laat makkelijk los van de gortdroge onderlaag. Gevolg: banden, spatborden, ketting, alles onder het zand. Terwijl ik bij een erf met een stokje het zand uit de fiets sta te peuteren, zie ik in de voortuin een sproeier staan. Ik bedenk me geen moment en zet mijn fiets in de sproeier. Als de huiseigenaar even later verbaasd komt aanlopen, leg ik uit wat ik aan het doen ben. Hij zegt niks, trekt de sproeier uit de grond en spuit mijn fiets grondig schoon. Zo doe je dat in Salland.

Na ruim 70 km op de teller zet ik mijn tentje neer op natuurkampeerterrein De Klashorst.

Dag 1: Zwolle – Bathmen (55 km)

Het is alweer twee jaar geleden dat ik een fietskampeertocht heb gemaakt. Het is dus weer even puzzelen met de bagage en de route-apps. Omdat het een snikhete dag gaat worden, neem ik veel drinken mee, maar geen eten of jas.

Langs de IJssel staat het water lager dan ooit. De geulen in de uiterwaarden zijn grotendeels drooggevallen en de rivier zelf is verworden tot een smal lint, waar schepen zich niet meer op wagen. Ook het fietspontje ligt eruit vanwege de extreme droogte, waardoor er nauwelijks fietsers zijn in de uiterwaarden. Het geeft een aangenaam rustige sfeer, met een beklemmend randje.

In de uiterwaarden vliegen opvallend veel koninginnenpages rond. Ze zweven razendsnel van bloem naar bloem en het valt nog niet mee om er een fatsoenlijke foto van te maken. Iets verderop laten enkele kleine parelmoervlinders zich bewonderen. Voor mij een nieuwe soort voor Nederland.

In Diepenveen bewonder ik de tuin van Renze, met name de nieuwe border waar de stroomdalflora moet gaan komen. Fraaie stenen en hoogteverschillen vormen het decor voor de planten, die worden opgekweekt in een ander deel van de tuin. We nemen de plantenlijst door en prakkeseren over de pH-waarde van de grond. Dit project gaan we volgen!

Via het Wechelerveld (geen IJsvogelvlinder) vervolg ik mijn weg door het Deventer achterland. Een thermometer langs de weg wijst 36 graden Celsius aan. Langzaam waan ik mij in De Peel: forse stallen, grote maisakkers en onafzienbare velden Engels raaigras bepalen hier het beeld. Koeien staan binnen, maar dat is met dit weer misschien sowieso beter. Net als ik mezelf beklaag over de zoveelste maisakker, snijdt er een helder watertje door een weiland. Het is de sloot waar Renze me over tipte. Kraakhelder! Op de bodem ligt een snoek van bijna een halve meter roerloos in de dekking. Langs de oever vliegen zeldzame bandheidelibellen en beekoeverlibellen. Een school rietvoorns zwenkt uit en schiet weg. Hoe zo’n geweldige sloot hier kan overleven tussen de kale grasvelden blijft een raadsel, maar wat een cadeau.

Iets verderop parkeer ik mijn fiets op het natuurveldje van camping Campeerd, waar loopeenden mij gezelschap houden.

Een twitcher in de tuin

Primeurtje vanavond: voor het eerst bezoek in de tuin van een twitcher. Een wantsen-twitcher wel te verstaan. In onze tuin zit een kolonie van de zeldzame zuidelijke groene schildwants (momenteel alleen nimfen) en een wantsenliefhebber uit de buurt wilde die héél graag zien. Dat mag natuurlijk!
Volgens waarneming.nl zijn in de openlucht alleen nimfen te zien “van half augustus tot begin oktober”, maar daar doen deze wantsen niet aan mee.