Voor mij is het voorjaar pas echt begonnen met de eerste zingende tjiftjaf. Vanochtend was het zo ver tijdens een bijzonder frisse ochtendwandeling. Heerlijk! Mijn twee-na-vroegste tjif ooit.
Ook leuk om dat even in perspectief plaatsen want ik noteer dit inmiddels sinds 1996. In die periode hoorde ik de eerste zingende tjiftjaf gemiddeld 16 dagen eerder: van 25 maart in 1996 naar 9 maart nu. De datum van de eerste zang blijkt vrij sterk af te hangen van de gemiddelde temperatuur in maart.
Ik heb russen in de tuin. Bloeiend en wel. Allereerst is er de grote veldbies (Luzula sylvatica): een mooie, stevige, polvormende, wintergroene en inheemse plant voor schaduwrijke plekjes. In de volle zon staat zijn neefje: de gewone veldbies (Luzula campestris). Ook deze staat al in bloei. Ik ontdekte verschillende planten in onze wadi, opgekomen uit het zaadmengsel dat ik hier 1,5 jaar geleden heb gestrooid. Beide veldbiezen behoren tot de familie der russen.
Het radioprogramma Vroege Vogels roept ons op om waarnemingen in de tuin met elkaar te delen onder het motto #uitgezoomd. Bij deze, maar dan onder het motto #ingezoomd. 😉 Met dank aan mijn nieuwe macro opzetlensje. Een soort knijper met een lensje die je op je telefoon zet waarmee er een wereld voor je open gaat!
Vijftien jaar geleden keek ik naar een boom in Enschede met maar liefst 60 pestvogels (zie waarneming). Ik verbaasde me: iedereen liep er straal aan voorbij. Vandaag verbaas ik me opnieuw: er zit welgeteld één pestvogel in Zwolle, al meer dan een week. Daar zal het inmiddels wel rustig zijn, denk ik… Staan er dertig fotografen omheen!
Tijdens een wandeling naar een waterval kwam ik en passant een blauwe ijsvogelvlinder tegen, één van mijn meest favoriete vlinders. Het is een bijna tropische verschijning, met een prachtig gekleurde bovenkant (let op de paarsblauwe stippen) én een – zo mogelijk – nóg fraaiere onderkant met verrassend rood en wit.
De meeste vlinders hebben prachtige kleuren aan de bovenkant, maar de onderkantjes komen er vaak maar bekaaid van af. Helemaal beroerd doet de dagpauwoog het wat dit betreft: felrood gekleurd van boven met grote geel-blauwe ogen. Maar de onderkant: overwegend donkerbruin en zwart… Voor in ieder geval twee groepen vlinders zijn de onderkantjes juist heel belangrijk: de blauwtjes en de parelmoervlinders. Van boven lijken deze vlinders vrijwel allemaal op elkaar, maar de onderkantjes verschillen per soort en móet je dus wel bekijken, wil je de soort op naam kunnen brengen. Bovendien zijn de onderkantjes nog erg fraai ook dus een straf is dit niet. Maar vandaag dus een soort die meteen al van bovenaf is te herkennen, maar die ik toch iedere keer ook even van onderen wil zien. Gewoon, omdat-ie zo mooi is.
Tijdens een uitje naar Pont-en-Royans – een middeleeuws stadje dat tegen de rotsen is “geplakt” – kwam ik langs de rivier de kleine weerschijnvlinder tegen. Een prachtige vlinder waarvan de mannetjes een metallic blauwe glans over de vleugels hebben. Deze kleur ontstaat niet door pigment maar door weerkaatsing van het zonlicht op microscopische structuren op de vleugel. Een prachtig fenomeen!
Opmerkelijk genoeg bestaat de kleine weerschijnvlinder uit twee kleurvarianten: een donkerbruine en oranje vorm. En toevallig genoeg kwam ik beide varianten tegen langs het riviertje. Ik kan weinig andere diersoorten bedenken die bestaan in verschillende varianten. Bij het landkaartje (ook een vlinder) komt dit ook voor maar uit dit zich in de verschillende generaties van de vlinder (dus niet tegelijkertijd). Onder de vogels ken ik het van het vrouwtje koekoek: de meesten zijn leigrijs en lijken daarmee sterk op de sperwer, maar een klein deel bestaat als bruine variant. Nick Davies legt in zijn boek De Koekoek uit welke functie deze variatie heeft (en hoe het dus kan blijven voortbestaan). Bij mannetjes kemphaan komt uiterlijke variatie ook voor: sommige mannetjes hebben fraaie kraagveren, andere mannetjes hebben dat niet en lijken daarmee op vrouwtjes. Zodoende proberen ze ongehinderd in de buurt van andere vrouwtjes te komen waarmee ze stiekem proberen te paren. Welke functie de dubbele kleurvariant bij de kleine weerschijnvlinder heeft, is mij voorlopig nog een raadsel.