Na een heerlijk ontbijt fiets ik rond 11u de camping af. Hier kom ik zeker nog eens terug. Doel van vandaag is om een paar bosvennetjes te bezoeken in de hoop op een Oosterse witsnuitlibel. Ik weet geen enkele plek op de route waar de soort dit jaar met zekerheid zit, maar we proberen het gewoon. Bij het eerste vennetje, vlak achter de camping, vliegen alleen enkele watersnuffels en gewone oeverlibellen. Het water staat er erg laag.


Ik neem een lusje bovenlangs via het Reestdal. Leuk bedacht, maar in de praktijk iets minder: de Reest laat zich amper zien en het fietspad voert langs een vrij drukke weg. Nee, dan wint de Regge het van de Reest.
Na 40 km volgt Boswachterij Staphorst met verschillende vennetjes. Bij het ven de Oude Vijver gaat mijn hartslag iets omhoog: dit is de plas waar nog niet zo lang geleden de meeste soorten libellen zijn geteld in het Landelijk Meetnet Libellen. Hier moet het wemelen van de leuke soorten!
Helaas staat er een verboden toegangsbord en een hek voor de plas.
Er komt een meneer aanlopen met een hond. Hij pakt de twee ijzerdraden van het hek, duwt ze naar beneden en stapt eroverheen. De hond volgt. Ik ben stomverbaasd. De man loopt naar de plas en laat zijn hond even wat drinken. Verderop zie ik een andere man – ook met een hond. Nou ja zeg, is dit een hondenuitlaatgebied?
De man komt terug. Moet ik hem nu aanspreken, vraag ik me af. Maar de man spreekt mij al aan: “Lekker aan het genieten van de natuur?”
Het is een oudere man, met witte baard en een vriendelijke blik. Zeker, zeg ik, ik ben alleen verbaasd om u zo over dat hek te zien klimmen, terwijl er toch een verboden toegangsbord staat.
Hij lacht. “Ze hebben dat hek hier vorig jaar neergezet”, zegt de man. “Verboden was het al langer. Maar vroeger was het een recreatieplas. Toen was het hier een drukte van jewelste. Maar ik kom hier dagelijks.”
De man blijkt honderd meter verderop te wonen – dit is zijn wereld. “Ik heb hier als kind veel gespeeld. Ze hebben verderop een nieuwe recreatieplas gegraven, en toen moest iedereen hier weg.” Langzaam kantelt mijn perspectief.
Weet u wat ik doe, zeg ik. Ik ga ook het hekje even over. De man vindt dat een goed plan en wenst me een fijne dag. Zo gezegd zo gedaan. Aan de andere kant van het hek staat kleine zonnedauw, een kwetsbaar plantje van extreem voedselarme en zure plekken, zoals dit vennetje dus. Ik schuifel langs de oever en zie watersnuffels en gewone oeverlibellen. Snel ga ik weer terug, op verboden terrein is het niet fijn libellen kijken.


Ik fiets verder. De lucht betrekt en de kansen om leuke libellen en vlinders te vinden daalt met de minuut. Ten noorden van Zwolle doe ik een poging om het oranje zandoogje te vinden. Dat lukt niet, maar er zijn wel twee hele fraaie bermen, vol met grote pimpernel, blauwe knoop en tormentil. Ik blijf te lang kijken en sprint daarna naar huis.

































