Ode aan Limburg (4x)

Aan het bijkomen van vier dagen volledig opgaan in de soortenrijkdom van Zuid-Limburg. Wat was het geweldig. Wat was het een voorrecht om vier dagen lang mijn hart op te halen aan de spectaculaire en tegelijk soms zo kwetsbare Limburgse natuur!

Als ik mijn ogen dichtdoe zie ik mezelf staan in een verlaten mergelgroeve. De zon gaat bijna onder, op de achtergrond roept een vroedmeesterpad. Vlak voor mij voeren zeven dwergblauwtjes een paringsdans uit in de buurt van wondklaver, hun waardplant. Het is de enige populatie in Nederland…

Of ik zie mezelf zwoegen van het ene naar het andere veld, nergens orchideeën te bekennen. Wel bloeddorstige teken, loslopende honden en felle regenbuien. Ik geef het bijna op, totdat de hemel opeens opengaat en een veld zich openbaart waar ik alleen maar van kan dromen. Allerlei soorten orchissen, wilde akelei, en nog talloze andere bijzondere soorten paraderen in een zachtgele zee van ratelaar.

Of ik zie mezelf staan aan het begin van een eeuwenoude holle weg. Ik kreeg dit plekje getipt van een oud Limburgs baasje waarmee ik eerder op de dag een half uur op een bankje had gezeten. We praatten over vroeger, over eetbare planten en het kweken van orchideeën. Dat weggetje dus… Ik kijk mijn ogen uit. Grote muggenorchis, voorjaarsganzerik, smal fakkelgras, kalkwalstro, en ga zo maar door. Twaalf (zeer) zeldzame soorten in één onbeschermde berm.

Of ik zie mezelf bovenop de Kunderberg staan. Ik kijk uit over een groot veld en zie esparcette bloeien, alweer de 50e zeldzame plantensoort van deze vierdaagse. Een wespendief zweeft laag over. Het is tijd om naar huis te gaan. We gaan weer genieten van het gewone. In de verte onweert het, maar hier schijnt de zon.