Al dagen heb ik er last van: het gevoel dat de vogeltrek mij door de vingers glipt. Ik heb vakantie en het vliegt gigantisch. Dagelijks sneuvelen er records. Maar ik heb klussen te doen in het nieuwe huis en rijd de kinderen van het ene naar het andere logeeradres. Tussendoor sta ik in de tuin om ook iets mee te krijgen van het koper-, kollen- en kramsengeweld, deelgenoot te worden van het fenomeen vogeltrek.
Toch weet ik het niet. Ik krijg het koud en grijp weer naar kwast en kitspuit.
’s Nachts lig ik wakker. Onrustig. Ik vlieg naar het zuidwesten en sta opeens op mijn trektelstekkie aan de rand van Houten. Het uitzicht is weids, de zonsopkomst gloedvol. De lucht sijpelt vol vogels en een rode wouw glijdt langzaam voorbij.