Voor de derde keer dit jaar een sleedoornpage in de tuin, het blijft enorm gaaf! Wederom een vrouwtje en dit keer streek ze na wat rondfladderen kort neer op de Late Guldenroede. Na een seconde of dertig was ze er weer vandoor. Het zijn dus echt korte momenten dit jaar maar dat mag de pret niet drukken.
Terwijl ik vanavond wat in de tuin rommel, ligt er opeens een soort slang voor m’n neus. Met vier vervaarlijke ogen kijkt hij me aan, zo lijkt het. Een gevaarlijke punt achterop het lichaam verraadt ook niet veel goeds … Maar ik spring een gat in de lucht en haal iedereen erbij. De rups van het groot avondrood!
Juni bleek in onze tuin een verrassend leuke vlindermaand: oranjetipje (op 4 juni, een héle late), kleine vos en distelvlinder lieten zich fraai zien. Distelvlinder bleef minutenlang foerageren op rode klaver en was nieuw voor de tuinlijst.
Afgelopen vrijdag in De Wieden geweest voor de zilveren maan, een parelmoervlinder die ik erg graag een keer wilde zien. Ik dacht dat deze soort lastig te vinden was, maar op deze plek bleek niets minder waar! Tientallen exemplaren fladderden driftig rond langs het vlonderpad bij het bezoekerscentrum. De meesten vlogen laag door de begroeiing, maar af en toe bleef er eentje wat langer zitten voor een fotoshoot. Wat een fraaie fragiliteit. En ik besef nu opeens: mijn eerste parelmoervlinder in Nederland!
O ja, waarom heet de vlinder zilveren maan? Dat komt door die zilverwitte vlekken aan het uiteinde van de onderkant van de ondervleugel. Een uniek kenmerk van deze vlindersoort.
Afgelopen jaar zag ik 16 soorten dagvlinders in de tuin, waarvan zes soorten slechts één keer (hieronder gemarkeerd met *). Het is dus vaak een kwestie van geluk hebben (en veel thuis zijn helpt daarbij ook). Meest bijzondere waarneming ongetwijfeld de sleedoornpage van begin september, wat een beauty! Op de voet gevolgd door de eitjes afzettende oranje luzernevlinder. Kan me niet voorstellen dat ik dat vaker ga meemaken. Het scheefbloemwitje maakt een sterke opmars door in NL. Ik zag hem in drie verschillende weken. Het vaakst zag ik het klein koolwitje: vrijwel iedere week van 5 april t/m 10 oktober. Opvallende afwezige: het icarusblauwtje. Zeer algemene vlinder, maar niet in mijn tuin…!
1 Atalanta 2 Bont zandoogje 3 Boomblauwtje 4 Bruin zandoogje 5 Citroenvlinder* 6 Dagpauwoog 7 Gehakkelde aurelia* 8 Groot koolwitje 9 Klein geaderd witje 10 Klein koolwitje 11 Kleine vos* 12 Kleine vuurvlinder 13 Oranje luzernevlinder* 14 Oranjetipje 15 Scheefbloemwitje 16 Sleedoornpage*
Sleedoornpage. Eén van de mooiste dagvlinders van Nederland. Een soort waar ik heimelijk op hoopte ooit een keer in Zwolle te zien. Jaarlijks is er een handje geluksvogels die dat overkomt, maar het blijft sprokkelen. Tegen beter weten in ben ik meerdere keren wezen zoeken bij veelbelovende Sleedoornstruwelen, maar zonder succes. En toen wierp ik vanavond weer eens een verstrooide blik richting tuin. Er fladderde een vlinder. Middelgroot. Lichtbruin. Het streek neer op de Septemberkoning… SLEEDOORNPAGE! Een paar gelukzalige minuten volgden. Ik riep iedereen erbij en we genoten. Van het staartje, de zwart-wit gestreepte antennes, het lichtgrijze lijfje, en dan die vleugels! Dat het geen gemakkelijke vlinder is om te zien blijkt wel uit het aantal waarnemingen in Zwolle: slechts twee imago’s in heel 2020. Ik ben een gelukkig mens.
Vanmiddag een héle leuke bezoeker in de ingezaaide bloemenweide: een oranje luzernevlinder! Bijzonder, want pas de eerste waarneming in heel Overijssel dit jaar. De vlinder fladderde van plek naar plek en zat af en toe stil. Toen ik goed keek zag ik dat de vlinder steeds op klaver neerstreek. Witte honingklaver om precies te zijn, een waardplant. Ze was er zelfs eitjes op aan het afzetten! Leuk eerste succes in de bloemenweide.
Tijdens een wandeling naar een waterval kwam ik en passant een blauwe ijsvogelvlinder tegen, één van mijn meest favoriete vlinders. Het is een bijna tropische verschijning, met een prachtig gekleurde bovenkant (let op de paarsblauwe stippen) én een – zo mogelijk – nóg fraaiere onderkant met verrassend rood en wit.
De meeste vlinders hebben prachtige kleuren aan de bovenkant, maar de onderkantjes komen er vaak maar bekaaid van af. Helemaal beroerd doet de dagpauwoog het wat dit betreft: felrood gekleurd van boven met grote geel-blauwe ogen. Maar de onderkant: overwegend donkerbruin en zwart… Voor in ieder geval twee groepen vlinders zijn de onderkantjes juist heel belangrijk: de blauwtjes en de parelmoervlinders. Van boven lijken deze vlinders vrijwel allemaal op elkaar, maar de onderkantjes verschillen per soort en móet je dus wel bekijken, wil je de soort op naam kunnen brengen. Bovendien zijn de onderkantjes nog erg fraai ook dus een straf is dit niet. Maar vandaag dus een soort die meteen al van bovenaf is te herkennen, maar die ik toch iedere keer ook even van onderen wil zien. Gewoon, omdat-ie zo mooi is.
Tijdens een uitje naar Pont-en-Royans – een middeleeuws stadje dat tegen de rotsen is “geplakt” – kwam ik langs de rivier de kleine weerschijnvlinder tegen. Een prachtige vlinder waarvan de mannetjes een metallic blauwe glans over de vleugels hebben. Deze kleur ontstaat niet door pigment maar door weerkaatsing van het zonlicht op microscopische structuren op de vleugel. Een prachtig fenomeen!
Opmerkelijk genoeg bestaat de kleine weerschijnvlinder uit twee kleurvarianten: een donkerbruine en oranje vorm. En toevallig genoeg kwam ik beide varianten tegen langs het riviertje. Ik kan weinig andere diersoorten bedenken die bestaan in verschillende varianten. Bij het landkaartje (ook een vlinder) komt dit ook voor maar uit dit zich in de verschillende generaties van de vlinder (dus niet tegelijkertijd). Onder de vogels ken ik het van het vrouwtje koekoek: de meesten zijn leigrijs en lijken daarmee sterk op de sperwer, maar een klein deel bestaat als bruine variant. Nick Davies legt in zijn boek De Koekoek uit welke functie deze variatie heeft (en hoe het dus kan blijven voortbestaan). Bij mannetjes kemphaan komt uiterlijke variatie ook voor: sommige mannetjes hebben fraaie kraagveren, andere mannetjes hebben dat niet en lijken daarmee op vrouwtjes. Zodoende proberen ze ongehinderd in de buurt van andere vrouwtjes te komen waarmee ze stiekem proberen te paren. Welke functie de dubbele kleurvariant bij de kleine weerschijnvlinder heeft, is mij voorlopig nog een raadsel.