“Papa, papa, er zit een arend in de tuin!” Koen roept zijn longen uit z’n lijf, alsof hij inderdaad een arend ziet. Als ik vanaf zolder eindelijk beneden ben, zie ik geen arend maar wel iets heel leuks: een sperwer in de tuin van de buren! Een vrouwtje. “Ze vloog tegen het raam,” zegt Koen. Ze heeft een lamme vleugel, zie ik. Een vogelafdruk staat op het raam…
Nee, ze houdt haar vleugel over iets heen! Het beweegt en is grijs. Een Turkse tortel. De afdruk op het raam is van de duif die niet snel genoeg kon ontkomen aan de klauwen van de sperwer. Het duifje probeert in allerlei stuiptrekkingen te ontsnappen, maar de sperwer kent geen genade. Ze heeft honger en moet eten. Terwijl de duif nog wat spartelt, begint ze te plukken. Eerst eet ze de kop, daarna de buik. Na een half uur is van de duif niet veel meer over dan een half afgekloven kippenbout. Ze neemt hem mee als ze wegvliegt, een ontploft donskussen achterlatend.

