Blauwe ijsvogelvlinder bij waterval

Tijdens een wandeling naar een waterval kwam ik en passant een blauwe ijsvogelvlinder tegen, één van mijn meest favoriete vlinders. Het is een bijna tropische verschijning, met een prachtig gekleurde bovenkant (let op de paarsblauwe stippen) én een – zo mogelijk – nóg fraaiere onderkant met verrassend rood en wit.


De meeste vlinders hebben prachtige kleuren aan de bovenkant, maar de onderkantjes komen er vaak maar bekaaid van af. Helemaal beroerd doet de dagpauwoog het wat dit betreft: felrood gekleurd van boven met grote geel-blauwe ogen. Maar de onderkant: overwegend donkerbruin en zwart…
Voor in ieder geval twee groepen vlinders zijn de onderkantjes juist heel belangrijk: de blauwtjes en de parelmoervlinders. Van boven lijken deze vlinders vrijwel allemaal op elkaar, maar de onderkantjes verschillen per soort en móet je dus wel bekijken, wil je de soort op naam kunnen brengen. Bovendien zijn de onderkantjes nog erg fraai ook dus een straf is dit niet.
Maar vandaag dus een soort die meteen al van bovenaf is te herkennen, maar die ik toch iedere keer ook even van onderen wil zien. Gewoon, omdat-ie zo mooi is.

Kleine weerschijnvlinder in Pont-en-Royans

Tijdens een uitje naar Pont-en-Royans – een middeleeuws stadje dat tegen de rotsen is “geplakt” – kwam ik langs de rivier de kleine weerschijnvlinder tegen. Een prachtige vlinder waarvan de mannetjes een metallic blauwe glans over de vleugels hebben. Deze kleur ontstaat niet door pigment maar door weerkaatsing van het zonlicht op microscopische structuren op de vleugel. Een prachtig fenomeen!

Opmerkelijk genoeg bestaat de kleine weerschijnvlinder uit twee kleurvarianten: een donkerbruine en oranje vorm. En toevallig genoeg kwam ik beide varianten tegen langs het riviertje. Ik kan weinig andere diersoorten bedenken die bestaan in verschillende varianten. Bij het landkaartje (ook een vlinder) komt dit ook voor maar uit dit zich in de verschillende generaties van de vlinder (dus niet tegelijkertijd). Onder de vogels ken ik het van het vrouwtje koekoek: de meesten zijn leigrijs en lijken daarmee sterk op de sperwer, maar een klein deel bestaat als bruine variant. Nick Davies legt in zijn boek De Koekoek uit welke functie deze variatie heeft (en hoe het dus kan blijven voortbestaan). Bij mannetjes kemphaan komt uiterlijke variatie ook voor: sommige mannetjes hebben fraaie kraagveren, andere mannetjes hebben dat niet en lijken daarmee op vrouwtjes. Zodoende proberen ze ongehinderd in de buurt van andere vrouwtjes te komen waarmee ze stiekem proberen te paren.
Welke functie de dubbele kleurvariant bij de kleine weerschijnvlinder heeft, is mij voorlopig nog een raadsel.